Ik zal niet horen

Het woord
Dat tot Jeremiah kwam
Vanuit de Eeuwige
Om te zeggen:
Luister naar de woorden
Van dit verbond
En spreek tot de mannen
Van Judah
En tot de inwoners
Van Jeruzalem
En je zult zeggen
Tegen hen:
Zo zei de Eeuwige God
Van Jisraël
Vervloekt is de man
Die niet luistert
Naar de woorden
Van dit verbond
Dat Ik jullie voorvaders
Geboden heb
Op de dag
Dat Ik hen
Uit het land van Egypte haalde
Uit de ijzeren smeltoven
[slavernij]
Zei Ik:
Luister naar Mijn stem
En doe het
Volgens alles
Dat Ik jullie gebied
En je zal voor Mij
Een volk zijn
En Ik zal voor jullie
Een God zijn
Om de eed te bevestigen
Die Ik aan jullie voorvaders
Gezworen heb
Om hun een land te geven
Vloeiend van melk
En honing
Zoals op deze dag
En ik antwoordde
En zei:
Amen, oh Eeuwige
En de Eeuwige zei tegen mij:
Verkondig deze woorden
In de steden van Judah
En in de straten
Van Jeruzalem
Zeg:
Luister naar de woorden
Van dit verbond
En doe ze
Want Ik heb
Jullie voorvaders
Gewaarschuwd
Op de dag
Dat ik hen uit
Het land van Egypte bracht
En tot op deze dag
Waarschuwend
Vroeg in de ochtend
Zei Ik:
Luister naar Mijn stem
Maar zij luisterden niet
Noch neigden ze hun oor
En ze gingen
Iedere man voor zich
Naar de verharding
Van zijn slechte hart
En Ik bracht over hen
Al de woorden
Van dit verbond
Die Ik geboden heb te doen
En ze deden het niet
En de Eeuwige zei tegen me:
Er is een samenzwering ontdekt
Onder de mannen van Judah
En onder de bewoners
Van Jeruzalem
Ze zijn teruggekeerd
Naar de ongerechtigheden
Van hun eerste voorvaders
Die weigerden
Mijn woorden te horen
En ze gingen achter
Andere goden aan
Om hen te dienen
Het huis van Jisraël
En het huis van Judah
Brak Mijn verbond
Dat Ik met hun voorvaders
Gesloten heb
Daarom
Zo zegt de Eeuwige:
Zie, Ik breng kwaad
Over hen
Dat ze niet kunnen
Ontvluchten
En ze zullen roepen
Tot Mij
Maar Ik zal niet
Naar hen luisteren
En ze zullen gaan
Uit de steden
Van Judah
En de bewoners van Jeruzalem
Zullen gaan
En roepen naar de goden
Voor wie ze wierook brandden
En die zullen hen niet redden
Op het moment
Van hun rampspoed
Want zo talrijk
Als je steden
Waren je goden
Oh Judah
En zo talrijk
Als de straten
Van Jeruzalem
Heb je altaren geplaatst
Voor de schandelijke zaak
Altaren om wierook te branden
Voor de Ba’al
[afgoden]
En jij
Bid niet voor dit volk
Hef geen smeekbede
Of gebed aan
Want Ik hoor niet
Op het moment
Dat ze naar Mij roepen
Vanwege hun kwaad

Jeremiah moet het woord
Van de Eeuwige verkondigen
Maar als de rampspoed
Over het huis van Jisraël
En over het huis van Judah neerdaalt
Mag de profeet niet meer smeken of bidden
De Eeuwige heeft er geen
Boodschap meer aan

Het gaat niet best
Met de man in de caravan
Op de dag voordat hij morgen
Het huis moet bezichtigen
Licht hij ziek op mijn bank
Kotsen, diarree
Een flinke kater
Het is moeilijk voor hem
Deze laatste loodjes
Maar hij krijgt hulp
De vrouw van de woningbouw
Heeft zijn illegale caravan ontdekt
Ze klopte gisteren aan
Ze heeft geen probleem gelukkig
Met zijn wagen op het eigen terrein
Geen politie om hem
Nog verder op te jagen
De elektriciteit gaat hij regelen
Bij een vriend met een haspel
En zij zal zelfs zien
Wat ze kan doen voor de woning
Waar hij naar gaat kijken
En van de zelfde woningbouw is
Maar voor hem
Is het moeilijk te verdragen
Al deze vriendelijke menselijkheid
En hij zet het op een zuipen
Die uren kruipen voorbij
Voordat hij naar de bezichtiging kan
Nu gelukkig op mijn bank
Waar ik weet dat hij veilig is
En ik over hem zal redderen
Oi va voi, hoe ik smeekbedes aanhef
Naar de Eeuwige
Hoor en red, please!

Jezzebel,
Tussen water en water

Art: Pascale, keep-walking-story


This entry was posted in @home, @Work, kunst, literatuur, Own Art and tagged , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.