Aan flarden

foto

‘Zoek een meester,’ zei de eerste autoriteit die ooit mijn werk bekeek. Niet bepaald de minste, een Nederlander in Israël voor wie de hele wereld ontzag heeft, alles wat hij deed en op zijn leeftijd nog steeds doet, op het gebied van kunst, in het land van mijn hart.
‘Femininity,’ zei hij volgens mij en toen anders.
‘Geen academie, je bent al te ver. Zoek een meester, een succesvol established kunstenaar bij wie je kunt werken, totdat je er genoeg van hebt, zoek dan een ander. Daar zul je vast rustiger van worden,’ waren de woorden die hij me meegaf, maar niet opschreef toen hij de aanbevelingsbrief maakte voor de commissie die mij zou beoordelen aan de hand van de tekeningen die ik als ik verdrietig was maakte op mijn zwerftocht van Nederland, Israël, Amerika en weer terug naar Israël.
Terug in Nederland was er toen nog niet bij, rond 1 april 2004, toen ik er voor koos dan maar officieel Israëliër te worden, alles er op en er aan, tien jaar later, tot die tijd wilde ik geen Israëliër zijn, totdat het water me aan de lippen steeg en dat mijn opening was, uitstel van executie, nog even volhouden.

Als ik officieel zou emigreren en niet langer Tijdelijk Bezoeker was dan zou ik nog wat hulp van de overheid krijgen, niet zo veel, daar was ik al te lang voor in het land.
Toen ik aankwam in 1994 had ik al die hulp niet nodig, ik kon prima voor mezelf zorgen, ik was producer voor televisie, ik verdiende oké, ook al was dat ook in het begin schandalig weinig.
Maar ik emigreerde tien jaar later niet als journalist, rtv of schrijvende pers, misschien was het me te makkelijk, dat was ik immers werkelijk. Stapels tijdschriften waarin mijn publicaties staan en oude videobanden waar geen hond meer van weet wat hij er mee moet, al die nieuws fragmenten, waanzin van de dag, al weer zo veel jaar geleden, sleep ik over de hele wereld mee. Alle rommel aantoonbaar van mij, ik wilde nu wel eens iets anders.
In die tijd was ik nog maar net begonnen, echt begonnen, of verder gegaan, tekenen is nooit ver weg geweest, altijd de vlucht er uit. Al trapte ik het honderd keer in een hoek, kiekeboe kwam altijd terug.

Ik wilde emigreren als kunstenaar, dat leek mij leuk, dan kon ik ook eens wat laten zien, niet om te exposeren, zo ver ben ik nog steeds niet, misschien durf ik niet, maar ik wilde wel eens weten hoe iemand die er verstand van heeft er naar keek. Dus liet ik hem de vele kringeltekeningen zien, tientallen, al die vrouwen die verdrinken in al die repeterende lijnen, hij begreep het toen al, volgens mij was hij de eerste die het tegen me zei, toen ik niet zo goed luisterde en het niet zo goed snapte. Ik was een weg ingeslagen, er was een verhaal te vertellen, dat van mij, en alles dat er bij komt kijken.

Gisteren liet ik er maar eentje zien, ze zijn van alweer zo lang geleden. En die ene tekening laat me nu niet meer los.
Dat cirkelen, eindeloos herhalen en al de lijnen die ik trok, begonnen in een andere periode dat ik werkelijk dacht te verzuipen.
Vandaag moet ik steeds denken aan Virginia en dat andere schilderij dat ik maakte, Anna Virginia, dat scheve portret van meer dan twee meter lengte, Anne Frank en Virginia Woolf. Dat heb ik gisteren niet meegenomen, wel een foto.

Deze twee vrouwen mijn helden, zo had ik besloten, toen ik er voor een schilderij naar zocht. Wie zijn de vrouwen uit de geschiedenis, cultuur, mythen en sagen, van wie ik leerde en die ik met me meedraag, was de vraag waar ik het antwoord van zocht.
Zo komt Jezzebel natuurlijk ook boven drijven, het laat me vandaag niet los, die twee vrouwen, opgesloten in de waanzin, zij die over opgesloten spraken, het meisje die vrijheid in haar naam draagt en de vrouw die het beest in zich droeg toen ze verdronk.
Alweer een dag naar de challemiezen.

Thuis,
Jezzebel

Art: Joshua Neustein

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

14 Responses to Aan flarden

    Leave a Reply

    This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.